Waar de ouders erg veel lastig nog van
hebben, is het heel uitdagend en provocerend gedrag.
Soms gaan ouders, vaker moeder dan
vader, de confrontatie aan met D. in de zin van ‘het dient zo te gebeuren.’
D. beleeft dat als zeer stresserend wat snel leidt tot een
uitbarsting en heel agressief gedrag zoals schreeuwen, schoppen, grof worden, spugen in het gezicht,
etc. Dat gebeurt ook op straat, in een winkel, etc., Het is heel kwetsend. De
eerste fase (Liefde) en de tweede fase (Bescherming) van de behandeling zijn te
snel doorgelopen en is geprobeerd ook snel na de derde fase te gaan (Veranderen
en verbeteren). Dat gaf problemen. Wanneer ouders (of psycholoog)de eerste twee
fasen niet goed doormaken, is het risico groot dat zij en het kind, emotioneel,
niet klaar zijn voor de derde fase. Uitbarstingen blijven en je moet dan gewoon
terug. Om een actueel inzicht te hebben in hoe ouders en kind met elkaar
omgaan, heb ik ouders gevraagd om met D. te komen. Ouders en kind hebben de
opdracht gekregen samen een droomhuis voor het gezin te tekenen.
De diagnose ODD en ADHD is 4 maanden geleden door mij
gesteld.
“D. komt binnen
met zijn ouders. Hij verschuilt zich angstig achter zijn vader en houdt zich
vast aan zijn been. D. geeft geen hand en zegt ook niets.
D.
vond het goed om memory te gaan spelen, wat wij ook twee keer hebben gedaan.
Hij was sterk naar zichzelf gericht, maar genoeg ontspannen om met zijn ouders
en de psycholoog te spelen. D. had sterk de behoefte om te winnen.
De gezinsopdracht ‘Teken
samen een droomhuis’
D.
begint meteen en gaat alleen zijn gang. Zijn moeder probeert met hem
te
praten, maar hij gaat hier niet echt op in. Hij gaat door, alleen.
D.
zegt tegen zijn moeder, dat zij het alleen moet doen en maakt verder geen
contact met zijn ouders.
“Dat is mijn kamer, boven”, zegt D.. Moeder
zegt dat zij een raam maakt. D. hoort dat, zegt dat hij een gordijn maakt en
doet het ook. Zijn moeder tekent nog een raam en zegt dat het zusje van D. ook
een raam krijgt.
D.
gaat zijn gang, alleen, maar wordt langzaam meer open en speels. Moeder vraagt
hem vaak iets, maar wacht verder af. Vader zegt dat hij een boom gaat tekenen
en “ik teken een hut,” zegt D..
D.
probeert in te springen op alles wat er gebeurt en de controle te houden.
Ouders zijn heel sterk kindgericht, maar er vindt geen uitwisseling van
gedachten of meningen tussen D. en zijn ouders plaats. Ouders sturen ook niet.
Vader
probeert mee te doen, D. gaat hier wel een beetje op in, maar zeer
zelf bepalend.
D.
gaat zijn gang zonder zijn ouders er bij te betrekken of hun de ruimte te geven
om ook mee te doen. D. vraagt zijn ouders nooit iets. Hij sluit zijn ouders
uit. Die vragen D. wat hij wil en zij laten hem hun inbreng bepalen.
“Ik
ga een hemelbed tekenen.” Voor jezelf, vraagt vader?
Moeder
blijft kijken naar de tekening en vraag: “Wat hebben wij nog meer in de tuin?”
Moeder
vertelt dat zij een paddenstoel gaat tekenen. Prompt komt D. bij haar tekening.
Hij duwt moeder een beetje opzij, die zich terug trekt en naar hem gaat zitten
kijken.
Nog
een fiets tekenen, voor mama en papa, zegt moeder. En wat vind je zusje leuk?
Misschien een poppenhuis, zegt D. als antwoord.
D.
komt nu wat vrolijker over, tekent en vertelt tegelijkertijd wat hij doet. Zijn
ouders komen af en toe aan bod.
Als
ik naar D. kijk, stopt hij meteen met praten. Hij gaat in het oor van zijn moeder
praten, over de tekening.
Wanneer
ik de kleur viltstiften op tafel leg, vraag ik D. of hij aan zijn ouders wil
vragen of zij ook willen inkleuren. D. geeft geen antwoord, vraagt zijn ouders
niets, pakt de viltstiften voor zichzelf en gaat inkleuren.
Moeder
vraagt D. of hij het goed vindt “als ik de bloempot inkleur.” D. vindt dat
goed. “De buitenkant oranje en de binnenkant geel,” zegt hij.
“En
de binnenkant?” vroeg moeder, die niet had gehoord wat D. zei.
“Zeg
ik toch, oranje.”
D.
neemt de viltstift, die zijn vader in de hand had en gaat daarmee inkleuren.
Vader blijft wachten en krijgt even later een paar viltstiften van D..
“Zullen
wij … “, vraagt de vader D..
“Nee,
dat doe ik,” zegt D..
“Confetti
uit de hemel,” zegt moeder. “Nee,” zegt D., “uit de wolken.”
“Mama,
help me. Niemand helpt me,” zegt D..
“Waarmee helpen?” vraagt vader. “Inkleuren
alsjeblieft,” is het antwoord van D.
Commentaar 1:
In
het contact met de psycholoog komt D. heel onzeker en angstig over. Hij zoekt
beschutting achter zijn vader en weigert ieder contact. Op school was het
contact van D. met de psycholoog, normaal te noemen! Aan het eind van de sessie
geeft D. de psycholoog wel een hand.
D.
vertoont sterk ‘egocentrisch’ gedrag. Ondanks de pogingen die zijn ouders
ondernemen om samen de opdracht uit te voeren, gaat hij er niet op in. Hij is
‘niet op zijn ouders gericht,’ gaat zijn gang zonder overleg en probeert alles
zelf te bepalen. Ook wat zijn ouders doen. D. houdt geen rekening met anderen,
inclusief zijn zusje. Er
vindt geen uitwisseling van gedachten of meningen plaats. D. geeft ook de
indruk dat hij dat niet op prijs stelt.
De
ouders van D. zijn sterk op hem gericht, maar zij stellen zich heel passief op
en nemen een ondergeschikte positie in. Zij laten D. ongemoeid zijn gang gaan
en doen wat hij zegt dat zij moeten doen.
Er
ontstaat geen lichamelijk contact, oogcontact of spontaan plezier, individueel
of in de interactie tussen ouders en kind.
D.
laat heel sterke emoties zien, die niet te verwachten zijn bij een jongen van 8
jaar. Hij lijkt erg angstig en wantrouwend (wijst alles af, probeert alles zelf
te bepalen), maar ook ongevoelig (geeft geen aandacht aan de gevoelens van
anderen) en niet in staat tot communiceren.
Advies
1.Inleiding
D. komt heel angstig, onzeker en gesloten over. Hij communiceert bijna niet en laat niemand bij zich toe. Als hij ‘aangeraakt’ wordt (als ik met hem praat of als zijn ouders iets doen) trekt hij zich helemaal terug of neemt de sturing over. Het lijkt alsof hij niemand vertrouwt.
D. komt heel angstig, onzeker en gesloten over. Hij communiceert bijna niet en laat niemand bij zich toe. Als hij ‘aangeraakt’ wordt (als ik met hem praat of als zijn ouders iets doen) trekt hij zich helemaal terug of neemt de sturing over. Het lijkt alsof hij niemand vertrouwt.
Ouders hebben gelijk. Het is
moeilijk met D. te communiceren en dus ook sturing te geven. D. is met de
gangbare aanpak bijna niet stuurbaar. Wij moeten
eerst zijn vertrouwen winnen en hem ook het gevoel laten beleven, dat hij
beschermd wordt en veilig is. Zonder dat te realiseren kunnen wij niet
goed met D. communiceren.
Mijn
advies is vaak het initiatief nemen en contact maken met D.. Veel met D. van
alles samen ondernemen en hem in het begin het initiatief en de sturing laten
nemen. Dat om zijn vertrouwen te winnen.
Samen
spelen, knutselen, tekenen, iets samen opruimen, samen aankleden, naar bed
gaan, etc.
U
stelt hem iets voor, niet dwingend of vanuit een ondergeschikte positie, maar
vanuit de combinatie van ouder/volwassene/speelkameraad: “He D., zullen wij iets
gaan doen met klei?”
Als D.
het niet wil, kunt u hem vragen of hij iets anders wil doen. Wil hij dat niet,
dan kunt u zeggen ‘goed’, en u gaat verder uw eigen gang.
Wil D.
wel meedoen, dan bent u, in eerste instantie, meegaand. Daarnaast gaat u bouwen
aan vriendelijkheid en wederzijds vertrouwen.
Er
zullen veel momenten zijn die zich lenen om de gevoelens en het gedrag van D.
te beïnvloeden. Doe dat niet meteen en te vaak. Ook niet op een (voor hem)
irriterende manier of toon.
U
laat D. voelen wat u graag wilt of wat niet goed voelt, door iets te zeggen,
bijvoorbeeld “doe alsjeblieft aardig, D..” U kunt ook zich passief gaan
opstellen, op een manier dat D. dat merkt. D. merkt dat u zich heeft
teruggetrokken en vraagt u mee te doen, of waarom. U gaat weer door en
tegelijkertijd zegt u, op een niet stresserende manier, bijvoorbeeld, dat hij
niets doet met wat u voorstelt. U verwacht niet meteen een antwoord of een
verandering. U geeft aan wat u voelt naar aanleiding van wat hij doet. Dat gaat
samen met humor, oogcontact, glimlachen en knuffelen. Het moet plezierig zijn
voor allen.
De
strategie is met D. samen te zijn. Samen met hem leuke dingen te doen en van
daaruit hem te beïnvloeden.
In
het begin laten wij hem de ruimte om zich vrij en veilig te voelen. Vervolgens
proberen wij steeds meer mee te doen. Soms zien wij het juiste moment en de
goede aanpak om iets over te brengen (een goed gevoel), soms trekken wij ons
wat terug en geven wij het signaal dat wij ons niet zo goed voelen.
- Als u D. iets minder leuks moet vragen, probeert u hem met zo weinig mogelijk woorden daar naar toe te bewegen. U kunt zelf beginnen met wat u hem vroeg en dat nog een keer vragen. U probeert D. neutraal, stressvrij te benaderen.
- Voorgesteld wordt, in deze fase van de behandeling, voornamelijk door het uiten van emoties en gevoelens te communiceren.
- In het omgaan met D. zoekt u de strategie die het best bij hem past en leidt tot wat u verwacht.
2. Een voorbeeld
Op
het schoolplein
D.
mocht even spelen, maar als het moment aankomt om met u mee te gaan, vlucht hij
en komt niet meer terug. U moet achter hem blijven rennen.
Voorgestelde
aanpak:
U
wilt weg. U roept D., hij komt niet. U roept D. nog een keer. Hij komt niet en
rent weg. U gaat niet weer roepen of achter hem aan rennen. U wacht en leest
een boek als u dat wilt, doet iets anders of blijft gewoon zitten, zonder enige
aandacht te geven aan D..
Het
kan lang duren tot D. bij u komt. Houd daar rekening mee.
Als D.
bij u komt, doet u geen poging om hem te pakken. U zegt, kom D. wij gaan weg.
Of u zegt niets en loopt naar buiten. Als D. niet meeloopt (de confrontatie
doorvoert of de strijd wil winnen) of terug gaat, blijft u wachten of loopt u
terug en gaat weer wachten.
(U gaat niet het gevecht aan met D.,
waardoor hij zijn dosis stress krijgt en zijn gedrag blijft herhalen. U houdt
de stress laag en geeft D. niet het gevoel dat hij iets heeft ‘gewonnen’ of
iets kun winnen.)
Als D.
uiteindelijk naar u toe komt of naar buiten loopt, loopt u mee. Na een paar
tellen, als het rustig is, biedt u hem uw hand. (Lichamelijk contact, werken
aan vertrouwen). Neemt hij uw hand niet aan, dan is het ook prima. Doet hij dat
wel, dan probeert u warmte over te dragen.
Als D.
iets zegt of vraagt, reageert u bijna niet. U zegt iets bijna onverstaanbaars,
iets heel vaags. U ontwijkt de vraag door iets anders, heel kort te zeggen
(“wij moeten nu naar huis”, bijvoorbeeld). U bent wat afstandelijk, kortaf,
maar beslist niet onvriendelijk in welke vorm dan ook. De gevoelens die u aan D.
overdraagt zijn die van ‘onverschillendheid.’ U hebt niet zo veel zin om te
praten. U toont geen enkele vorm van boosheid. U bent
teleurgesteld.
U
keurt het gedrag van D. nu niet af. Helaas zijn wij nog niet zo ver.
U
bent niet ingegaan op de uitdaging van D., u heeft zich niet laten vernederen
en ook niet laten manipuleren. U stuurt het
verstandig. Het gedrag van D. is niet beloond en hij maakt mee gevoelens
van afstandelijkheid en onverschilligheid. Tevens van liefde: u geeft hem uw
hand en warmte.
(Het gaat ook om het verschil tussen D. en zijn gedrag/uitingen
van de aandoening. D. is niet zijn aandoening.)
Later
thuis, op een rustig, gezellig moment naast elkaar of op schoot, kunt u bijna
plotseling tegen D. zeggen. “Ik vond het heel jammer wat vandaag op het schoolplein
is gebeurt.” Misschien niets meer.
De
volgende dag mag D. niet langer op het schoolplein blijven spelen. De dag
daarop misschien wel, als hij de afspraak nakomt dat hij komt wanneer u hem dat
vraagt. Doet hij dat niet, dan weet u hoe u dat zou kunnen aanpakken.
Dan
mag D. niet meer langer op het schoolplein blijven. Dat is geen straf, maar het
vermijden van dat het vervelend wordt.
3. Toelichting
Ooit
zo boos, zo verschrikkelijk boos geweest dat je een heel sterke drang voelde om
dingen kapot te maken, alles kapot te maken? Je moet stampen van boosheid,
gillen, spugen, schelden, slaan …, weg rennen.
Je
voelt je ‘gek worden,’ wanhopig van woede, je kunt niet meer goed nadenken. De
mensen doen altijd heel vervelend, verschrikkelijk irritant, zij doen je alleen
kwaad en pijn. Zij zijn altijd tegen je. Je moet zorgen dat je alleen bent, dat
je weg gaat.
Je voelt
pijn, je wilt ook later wraak nemen, de ander pijn doen.
Als
dat gebeurt, zijn wij een confrontatie op een heel onhandige manier aangegaan
en hebben wij het heel lang volgehouden.
Wij
hadden al heel lang moeten stoppen en andere, adequatere omgangstrategieën
moeten kiezen.
Het
is waar dat voor dergelijke gevoelens en gedrag van het kind ‘geen reden is.’
Ouders gaan met heel veel liefde en zorg om met hun kind. Toch lijkt het
evident, dat het kind dit anders beleeft en zijn gevoelens niet op eigen kracht
anders kan uiten.
Behandeling
van het kind houdt in het veranderen van de gevoelens, die hij beleeft. Dat
doen wij door het kind andere gevoelens te laten beleven. Wij stellen ons de
vraag, wat zou hem rust, vertrouwen en plezier geven?
Tevens
weten wij ook dat het niet gaat ‘om zijn zin te krijgen.’ Geen kind heeft er
plezier in om te doen wat zijn ouders hem vragen niet te doen, geen kind heeft er
plezier in om zijn ouders pijn te doen.”